| algemeen |
|
|
|
Wil je je eerste stappen zetten als voorlezer? Dit zijn enkele tips om in het achterhoofd te houden:
> Voorlezen vergt voorbereiding KEN HET VERHAAL, DE STRUCTUUR, DE OPENINGSZIN en DE PRENTEN Lees het verhaal eerst (luidop) voor jezelf. Zo weet je eventuele tongtwisters te vermijden. En dan kan je beter inspelen op onverwachte vragen. Bedenk vooraf welke vragen of opmerkingen bij je publiek kunnen opkomen en welke uitleg je kunt geven. Kinderen 'lezen' vooral de prenten: let erop dat je ook die al een keer goed hebt bekeken. Soms zal je versteld staan wat kinderen nog allemaal ontdekken in de prenten van een boek!
Je kunt zelfs stemmetjes gebruiken om de personages te spelen, maar dat is niet makkelijk. Stemmetjes nabootsen is vermoeiend en komt al vlug geforceerd over. Gebruik gewoon je eigen stem en pauzeer even om duidelijk te maken dat er iemand anders aan het woord komt. Als je voor een groep gaat voorlezen ken je best de openingszin(nen) door en door. Dan kan je meer oogcontact maken en ben je goed begonnen. KEN JE PUBLIEK Houd in de mate van het mogelijke rekening met je publiek: de leeftijd, de grootte van de groep, hoelang ze aandachtig kunnen zijn, hun interesse en leefwereld. Voorlezen is vaak ook aanpassen, toevoegen of inkorten, en (laten) vertellen Merk je dat er een fragment te moeilijk of niet geschikt is, pas het dan aan. Vervang de moeilijke woorden of leg ze uit. Vertel het fragment in je eigen woorden, breid het uit of sla het gewoon over. Voor de allerkleinsten maak je er grappige geluidjes bij, of herhaal je woorden, zing je een liedje. Tekst wordt geschrapt. Je maakt het verhaal zo concreet mogelijk door gepaste gebaren en mimiek te gebruiken. Kijk boos of verbaasd als de persoon in het verhaal zo reageert. Een voorleesverhaal zonder prenten dat te langdradig blijkt voor lagere-schoolkinderen kan je inkorten en gedeeltelijk in eigen woorden vertellen. Ook ouderen hebben er soms baat bij dat je als voorlezer even tijd neemt om reacties te peilen, of om kort te herhalen wat er juist is gebeurd. Goed begonnen is half gewonnen. Neem voldoende tijd voor volgende zaken: - Maak kort kennis met je publiek Een rondje namen kan al genoeg zijn om in te kunnen schatten wat voor vlees je in de kuip hebt. Wie is verlegen, wie heeft een grote mond? Maar vooral toon je een open houding: je bent geïnteresseerd in wie er voor je neus zit. - Introduceer je verhaal Bij de kleinsten kan je het boek te voorschijn toveren, of het uit een doos of koffertje tevoorschijn halen. Toon de voorflap en sta stil bij de illustratie, de titel (en voor ouderen ook bij de auteur). 'Over wat zou het boek gaan?' Je kan voorwerpen zoeken die iets met het thema van het boek te maken hebben en hen laten raden over wat het boek zou gaan.
Ook voor ouderen is het belangrijk dat ze van bij het begin 'mee zijn'. - Bied een rode draad aan Ga op zoek naar een rode draad tussen je voor te lezen teksten. Een rode draad helpt je luisteraars immers om te blijven volgen.
Stel de kinderen eens een vraag, laat ze iets op de prent aanwijzen of benoemen. Vraag wat ze denken dat er zal gebeuren. Geef ze kortom de kans om te reageren en moedig ze aan om te vertellen. Vermijd simpele ja/nee vragen of te moeilijke vragen. Probeer de kleine luisteraars uit te dagen:
- "De koe doet miauw!" Zorg ervoor dat de kleinsten kunnen volgen. Houd in het oog of ze begrijpen wat je leest of vertelt. Wat voor jou vanzelfsprekend is, moeten de kleinsten nog leren. Het is voor hen een raadsel dat je woorden en geen tekeningen leest, dat zinnen van links naar rechts worden gelezen, dat woorden van elkaar worden gescheiden,... Zij 'lezen' de tekeningen en zullen je soms wijzen op details of vragen stellen. Stop met voorlezen als de aandacht van het kind verslapt of als het onrustig wordt. Lezen moet plezierig blijven. Voor een baby volstaan enkele minuten. Naarmate het kind ouder wordt en zich beter kan concentreren, kan je langer voorlezen. Je hoeft niet altijd op het einde van een hoofdstuk te stoppen. Bij acht- tot twaalfjarigen kan je ook eens stoppen als het spannend wordt. Zij zullen reikhalzend uitkijken naar het volgende voorleesmoment. Jonge kinderen luisteren graag naar bekende verhalen. Door de herhaling leren ze woorden, zindsbouw, ... Ze gaan de verhalen herkennen en beter begrijpen. Ze weten bovendien wat er gaat gebeuren en dat geeft hen vertrouwen en voldoening. De voorlezer die speels van het verhaal afwijkt, zal het geweten hebben! |


Gebruik de mogelijkheden van je stem. Varieer in volume, snelheid en toonhoogte, afhankelijk van het personage, de spanning en de sfeer. Spreek harder als er een autoritaire persoon aan het woord is, lees wat sneller als er veel actie is, fluister als het spannend is, …
De kleinsten zijn heel zintuiglijk gericht. De stof, de flapjes, de kleuren en de ronde vormen in de boekjes trekken hun aandacht. Maak je niet ongerust als ze het boekje in hun mond steken. Ze willen boekjes niet alleen bekijken maar ook betasten en zelfs proeven. De boekjes voor baby’s en peuters zijn om die reden speciaal van plastic, stof of van stevig karton gemaakt.